Lezers over Nordh

De cirkel is rond

Geboren in Oostenrijk in 1936, groeide ik op in een literair en muzikaal gezin. Ik begon als achtjarige knul al te lezen. Ik was een alleslezer, d.w.z. ik las alles wat ik tegenkwam. Maar het liefst las ik avontuurlijke verhalen over mensen die met gevaar voor hun leven zegevierden over de machten van de natuur. Het waren zowel romans als echte reisverhalen, en ik las ze steeds opnieuw. Het was immers zo spannend. Ik leefde mee en leed mee met de helden, ik werd als mijn helden en het leek alsof ik moest vechten voor mijn leven.

Vaak las ik ’s nachts met een zaklamp onder de deken opdat mijn moeder niet zou zien dat ik wakker was.

Het verhaal ging altijd over verre en exotische landen maar het meest van alles hield ik van de verhalen over een land in het noorden dat Schandinavië heette. IJsvlakten, striemende wind, huilende wolven, ijsberen en angstige mensen die hurkten achter de kleine raampjes: het werd voor mij een fantasieleven.

Sommige boeken las ik iedere keer opnieuw. Ze werden als het ware mijn vrienden. “Vlammende poolnachten” van Leo Wies, “White Fang” van Jack London en Charles G.D. Roberts “Ogen in de wildernis”.

Later, als vijftienjarige, las ik echtgebeurde verhalen en serieuze boeken over het levenslot. Onder andere “De wereld van Manitus verdwijnt” van Hoffman Harnisch, een waargebeurde vertelling over noordamerikaanse indianen die werden verdreven uit nieuwe nederzettingen van blanken.

In die tijd speelde ik veel op de piano en naast Bach, Beethoven en Chopin ontdekte ik de schandinavische melodieschatten. Edvard Grieg’s pianoconcert, Wilhelm Stenhammar en Christian Sinding openden een hele nieuwe bladzijde in mijn leven. Het waren de melodiën van droefheid, eenzaamheid en melancholie die in mij een wens en een verlangen opwekten om in dat land ver weg in het noorden te willen zijn. Ik wist al van de midzomernachtzon en de “witte” zomernachten. Het verlangen daarnaar was onbedwingbaar.

Daarna werd ik gegrepen door de dubbelroman van Trygve Gulbranssen over het geslacht Björndal. Die boeken verslond ik vanwege de oude Dag Bjöndal en zijn zoon, de beren met de witte vlekken en vanwege de zwarte hengsten, de schrik van het platteland.

Het verlangen naar Schandinavië was groot maar ik kon er natuurlijk niet naar toe. School, geen geld, net vijftien jaar……. Des te rijker mijn fantasie.

Op een dag kwam ik een boek tegen van een schrijver uit Schandinavië. Hij heette Bernhard Nordh. Het was 1958. Hij was een mij onbekende schrijver maar de titel van het boek en de afbeeldingen fascineerden me direkt. In het duits heette het boek “Herz unter Wölfen” maar de zweedse titel was voor mij onleesbaar: “Nybyggare vid Bäversjön”. Ik begon te lezen - en werd meegenomen in een wereld van ontberingen en strijd tegen de macht van de natuur. Het boek was spannend en ik las voor het eerst een boek dat zich afspeelde in Zweden. Het tweede boek van Nordh dat ik las, heette “Die Wälder schweigen” (in het Zweeds : Starkare än lagen) en dit boek veranderde langzaam maar zeker mijn toekomst. De verhalen rondom Anna hadden zoveel invloed dat ik voelde dat ik eens in de toekomst Oostenrijk zou verlaten en in Zweden zou gaan wonen. Namen als Björklingen, Bäckliden, Tierp hadden voor mij een vreemde en exotische klank. Waar lagen deze plaatsen? Zou ik die plaatsen ooit zien? Het verhaal in dat boek werd samen met de schandinavische muziek mijn metgezel.

In 1961 werd mijn droom werkelijkheid! Ik emigreerde van Oostenrijk naar Surahammar in Zweden, met een reistas vol kleren met in m’n zak 20 Zweedse kronen en 20 Duitse marken: ik was onderweg naar het land van de midzomernachtzon.

Bernhard Nordh verdween uit mijn herinnering – huwelijk , kinderen en werk namen al mijn tijd in beslag – maar een naam als Björklinge raakte vaak een gevoelige snaar in mij. In 1985 kwam ik in Uppsala, en Anna kwam weer tot leven. Ik las de boeken van Nordh opnieuw en ik wilde nu weten waar deze man eigenlijk woonde. Hij had mijn leven immers veranderd! Ik wilde hem graag wat zeggen!

Ik zou hem nooit meer in dit leven treffen. Ik zou nooit tegen hem kunnen zeggen: “ feitelijk was jij het die maakte dat ik naar Zweden ging. Jij trok mij hier heen en veranderde mijn leven fundamenteel. Ik zou architect worden in Oostenrijk en daar wonen, en niet hier! Maar weet dat ik geen seconde spijt heb dat ik je roep heb gevolgd!”.

Jaren gingen voorbij en op een dag kwam ik via verschillende telefoongesprekken in kontakt met Birger Lindell. Hij woonde buiten Uppsala, ik hoefde er alleen maar heen te rijden. Ik stelde mij voor en vertelde wat ik wilde. Ik werd op de koffie genodigd op zijn veranda, en daar begon Birger te praten. Hij vertelde alles over hem, over Bernhard Nordh. Laat in de middag reed ik weer naar huis met een hoofd als een ballon, maar ik herinnerde me veel van wat Birger vertelde. We spraken af elkaar nog eens te ontmoeten.

Op 28 augustus 2005 in de namiddag zagen we elkaar weer. Die dag zal ik nooit vergeten. Er was koffie en de tafel lag vol met boeken en Birger vertelde. Daarna zei hij: “en nu gaan we een eindje met de auto rijden!” Hij liet mij in zijn auto instappen en we reden weg van het erf van de boerderij.

Ik: “Waar gaan we heen?” Hij: “Dat zul je wel zien.”

We reden naar het noorden en na een tijdje zette hij zijn auto aan de kant van de E4. “Langs deze weg liep Anna met haar kind”

Ik verstijfde helemaal. Nu was ik bij Bernhard Nordh en stond op de plaats waarover ik in mijn jeugd had gelezen en ik werd door herinneringen overspoeld. Birger en ik reden vervolgens een eindje naar het zuiden, langs de A4 en kwamen bij een brug over een kleine beek. Birger hield daar halt en zei: “ Hier deed ze in struikgewas haar kleren uit en sprong in het water, precies hier in deze bocht.” Birger zweeg en op dat moment kwamen mijn jeugdherinneringen weer tot leven en voelde ik weer dat verlangen naar het noorden. Ik verwonderde me er over hoe mijn leven was geworden. Ik bleef er nog een tijd staan, enigszins in een andere tijd.

Later reden we langs de resten van de molen, waar Anna werd weggestuurd en langs de plaats waar Anna een paard neerschoot. Birger vertelde en vertelde en mijn gemoed liep over van verwondering over het feit dat Anna hier was geweest, iets waar ik voor de eerste keer over had gelezen in 1958 in een vreemd land 2000 kilometer naar het zuiden.

Nu was het 2005.

Het heeft 47 jaar geduurd voordat ik eindelijk op de plaatsen zou staan waar ik in mijn tienerjaren over had gefantaseerd. Ik voelde een grote verbazing en een warm gevoel van herkenning. Het was op een bepaalde manier heel gewoon voor mij om zo dicht bij Anna te zijn. Eindelijk.

Ik ben Birger heel dankbaar voor zijn geduld en vriendelijkheid naar mij toe. Samen met hem kon ik een periode van 47 jaar wachten afsluiten.

Nu is de cirkel rond.

Dietmar Mandl

Bernhard Nordh: boeiende verhalen

Ergens in november 2006 liep ik in Ermelo de plaatselijke kringloopwinkel binnen. Na een snelle rondgang door de winkel kwam ik bij de boeken terecht. Een grote variëteit aan boeken, zoals je die in dit soort zaken mag verwachten. Op een gegeven moment kwam ik een boek tegen met de titel “Het geslacht Pålsson”. De tekening op de kaft wekte de indruk dat het om een soort streekroman zou gaan. Maar het was vooral de Zweeds klinkende naam Pålsson, die de aandacht trok. Op de achterflap stond een korte beschrijving van de inhoud: geschiedenis van de eerste kolonisten in Marsliden, een gebied ten westen van Vilhelmina in zuidwestelijk Lapland. Omdat ik twee maal in dat gebied was geweest, hoefde ik geen moment na te denken: “kopen dat boek”.

Het boek bleek een dubbeluitgave van twee boeken. Beide boeken horen bij elkaar en volgen Lars Pålsson en zijn vrouw Britta die met zes kinderen de wildernis intrekken en hun rechten op een stuk land laten vastleggen. Ze geven dit stuk land de naam Marsliden. Nordh vertelt over dit kolonistengezin alsof hij er zelf bij is geweest. Veel oog voor details, meeslepend verteld en toch de werkelijkheid niet mooier voorgesteld dan ze was. Honger die zo erg kon zijn dat de dood nabij leek, vroeg invallende vorst die de aardappelen en het koren in één nacht onbruikbaar maakten, de jacht op beren en veelvraten. En dan het leven in die haast volstrekte eenzaamheid, waar de buurman op tien kilometer afstand woonde en waar niet iedere Lap even gelukkig was met de komst van deze kolonisten. En wat te denken van de afstanden die te voet of op de ski moesten worden afgelegd om ergens te komen! Aan de andere kant de ontroerende momenten waar Zweedse kolonisten en Lappen gezamenlijk de kerkdiensten bijwonen in Fattmomakke. Een kleine nederzetting met een “lappenkapel” waar maar twee maal per jaar een kerkdienst werd gehouden voor huwelijken, doop en begrafenissen.

Alles verzonnen? Nee! Nordh heeft in 1936 een tijd rondgereisd in dit gebied en gesprekken gevoerd met mensen die uit eerste of tweede hand geschiedenissen over die eerste kolonisten konden vertellen. Vooral Jonas Larsson, een van de zonen van Lars Pålsson, heeft veel aan Nordh doorverteld. Op de foto hiernaast staat Jonas Larsson, gefotografeerd door Bernard Nordh.

Na deze boeken kwamen de andere boeken van Nordh. Van zijn boeken zijn er maar vijf in het Nederlands vertaald. Allemaal boeken die zich afspelen in Noord-Zweden. Via marktplaats.nl zijn ze redelijk makkelijk te vinden. “Als de vorst haar geesel zwaait” over de honger en ontreddering in het dorpje Kroksjö die zo erg worden dat de meeste inwoners besluiten naar Amerika te gaan. Waarbij de tocht naar de Noorse kust te voet moest worden afgelegd. Ook voor dit boek is materiaal gebruikt dat gebaseerd is op werkelijke gebeurtenissen. “De zon gaat op in het Gulbrandstal” over twee jongen mensen die samen naar het noorden trekken om gezamenlijk een nieuw bestaan op te bouwen. Met alle ontberingen van dien.

Wat te doen als je dan de Nederlandse vertalingen hebt gelezen? Twee Duitse vertalingen bieden uitkomst om nog even vooruit te kunnen. Maar daarmee lijkt de limiet bereikt. Om nog meer boeken van Nordh te kunnen lezen, rest maar één oplossing: Zweeds leren lezen. Hoewel ik al jaren belangstelling heb voor Zweden en de Zweedse taal, zijn het de boeken van Nordh die me nu hebben aangezet tot het leren lezen van het Zweeds. Met grammatica uit leerboeken en (internet)woordenboeken in de buurt is dat een moeizaam maar hoopgevend proces. Al doende leert men! Kruipend door die Zweedse tekst komen de verhalen nog meer tot leven. En lijken de geschiedenissen nog boeiender verteld dan in het Nederlands.

Cor Wursten

Wil Vening

De schrijfster Wil Vening ( 1924 – 2006) heeft in 1988 het hoofdwerk van Bernhard Nordh, In de schaduw van het Marsgebergte, opnieuw uitgegeven. Ze deed dit onder eigen naam en onder een iets gewijzigde titel, het Marsgebergte als buurman.

In haar eigen woorden: ze heeft het verhaal van de familie Pålsson bijgeschaafd tot een meer leesbaar boek voor deze moderne tijd. In haar boek heeft ze een intrigerend voorwoord opgenomen, dat een plaats verdient op de Bernhard Nordh website.

In de zomer van 1938 tekende Bernhard Nordh uit de mond van de tachtigjarige Jonas te Marsliden het verhaal op van de familie Pålsson. Met een schat aan gegevens keerde hij huiswaarts en schreef de boeken De strijd van het geslacht Pålsson en Rendiervolk in leven en dood.

Dit laatste boek is nu niet van belang. Het boek kwam uit en vond zijn weg, ook in Nederland.

Vlak na de oorlog kwam het in mijn bezit en het zou een van mijn lievelingsboeken worden. Waarom? Misschien omdat de omgeving waar het zich afspeelde, mij zo aantrok; helemaal boven in Zweden, tegen de Noorse grens aan? Of intrigeerde mij het verhaal over deze familie? Waarschijnlijk is het een combinatie van beide.

Jaren vergingen en langzamerhand groeide het aantal boeken dat ik schreef.

Heel diep weggestopt was latent het verlangen aanwezig, dit boek van de familie Pålsson nog eens door mijn handen te laten gaan, maar dan als schrijfster. Het bijschaven… sturen. Tot een geheel, dat meer leesbaar zou zijn in deze moderne tijd.

Van het Fonds der Letteren kreeg ik een reisbeurs en zodoende kon ik een oude droom tot werkelijkheid laten worden: mijn man en ik gingen op reis “naar het dak van Europa”.

Daarbij was het mogelijk een bezoek te brengen aan Marsliden. De laatste kilometers waren HEEL spannend: wat zou ik er vinden? Zou er nog iets over zijn uit die eerste tijd, toen Marsliden gevestigd werd? In de Kiosk…….. de dorpswinkel, stond een jonge vrouw achter de toonbank en wij praatten even.

De hele volgende dag liet het gevoel, dat zij mij verder kon helpen bij mijn navorsingen, mij niet los en ’s avonds stonden wij weer in haar winkeltje.

Ze vroeg, of wij een fijne dag hadden gehad en nadat wij dit enthousiast hadden beaamd voegde ik eraan toe: “Maar ik ben hier niet alleen voor mijn plezier!”

Terwijl ik de meegebrachte plastic zak nam en het boek te voorschijn haalde, zei ik: “DIT is de reden van ons bezoek!”.

En ik hield haar de Nederlandse vertaling van De strijd van het geslacht Pålsson voor.

Zij kon geen Nederlands lezen, maar WEL namen; zij kreeg een vuurrode kleur en zei: “Dat is mijn familie”.

Zij haalde haar hoogbejaarde vader en een ander familielid en ik had de avond van mijn leven.

Het boek heeft een aardig verhaal en een spannende story, allemaal waar, maar daarmee is de kous niet af.

Marsliden was gegarandeerd tot ondergang gedoemd geweest als Lars Pålsson zich anders t.a.v. de Samen had opgesteld dan hij heeft gedaan. Hij was een stille man, die zich moeilijk uitte, maar hij wist precies hoe hij met mensen om moest gaan…OOK met de Samen.

Lars Pålsson, een eenvoudige kolonist uit de 19e eeuw, wist dat begrip voor zijn medemensen en vertrouwen in hen meer waard waren dan een paar grote vuisten.

En dat is nou net precies datgene wat dit boek eeuwigheidswaarde meegeeft! Begrip voor en vertrouwen in onze medemensen zijn nog steeds de grondslag voor een wereld, waarin mensen gelukkig kunnen zijn!

Wil Vening