Julotta

Julotta is een kort verhaal dat Nordh in 1947 liet verschijnen, samen met een serie andere korte verhalen. Julottta is een woord waarvoor in het Nederlands geen vertaling bestaat. De julotta is een kerkdienst, heel vroeg op de morgen van de eerste kerstdag. Tijdstippen van 5.00 of 6.00 in de morgen zijn hierbij niet ongebruikelijk.

Onderstaande weergave is tot stand gekomen met hulp van een paar leden van het forum ordbok.lagom.nl

Een speciaal woord van dank aan Hans Enequist die de moeite heeft genomen de hele weergave door te lezen en een aantal verbeteringen voor te stellen.

De vroege Kerstmorgen

Maria zat voor de met grijze stenen gemetselde haard en gaf haar eerstgeborene de borst. Ze was nog jong, nauwelijks ouder dan twintig jaar. Maar toch vertoonde haar gezicht al tekenen van het zware leven in de wildernis. Haar lichaam was sterk en soepel, zoals bij de meeste jonge vrouwen uit de bergstreken. Haar handen – nog gebruind van de zonovergoten dagen op de hooivelden – hield ze om het kind als een bescherming tegen gevaren.

Haar kind zoog. Ze had veel melk, want het was een goed jaar geweest in de bergen. De houten schuur naast de stal was gevuld met goed weidehooi. Drie hooistaken stonden nog op moerashellingen ten zuiden van de Röbäck, goed omheind tegen rendieren. Het gevaar van rendieren was trouwens geweken. Enige weken geleden hadden storm en sneeuw de rendieren naar het oosten gedreven. Niet alleen de oogst aan veevoer was dit jaar goed. In de opslagruimte onder de vloer van de hut lagen bijna vier volle vaten met aardappelen. De gedroogde en gezouten vis was meer dan men voor de winter nodig had. In de voorraadschuur, op vier manshoge palen, hing vlees van drie rendieren en een schaap.

Maria boog zich voorover en gooide een harsachtig houtblok op het vuur. Het vuur laaide op en wierp zijn schijnsel op de grijze houten muren, waar het mos tussen de rondingen van de boomstammen uitstak. Een bed met een paar schaapsvachten nam de ene lange zijde van de hut in beslag en direct ernaast stond een wieg van ruw bewerkt hout. De andere muur was zo goed als geheel bedekt met huiden, opgespannen om te drogen. Een scherpe geur van vossen, gemengd met de onaangename lucht van de bruinzwarte huid van een veelvraat vulde de hele woonruimte. Maria had geen mogelijkheid om zich aan deze geur te onttrekken. Maar met deze geur in een kolonistenblokhut kon men de honger ook op afstand houden. Zonder geur, zonder huiden om te verkopen………. Ja, dan zou de honger binnensluipen en vrouwen met holle ogen achterlaten en kinderen met kromme benen en opgezwollen buiken. Vergiftigd door veldzuring en water.

De deur ging open en er kwam een man binnen met een partij brandhout in de armen. Hij legde het brandhout voorzichtig neer naast een uitgehouwen boomstronk en zette zijn muts af. Hij was maar een paar jaar ouder dan zijn vrouw, maar het leven in de wildernis had ook hem getekend. Zijn gezicht stond hard en grimmig en de handen waren mager en pezig en waren als het ware steeds paraat om iets te wurgen.

De man nam een korte handbijl van de boomstronk weg en ging zitten. Uit zijn broekzak haalde hij een korte ijzeren pijp, sneed een gedeelte van een stuk pruimtabak af, verkruimelde ’t in stukjes tussen zijn vingers en stopte zijn pijp. Hij stak deze nog niet aan, maar liep eerst naar de kamer toe en snoof de geur op, terwijl er kort een tevreden blik over zijn ruwe gelaatsuitdrukking gleed.

Hij was geboren in deze bergwereld en had meerdere hongerwinters meegemaakt waar de honger de darmen stukmaakte en het tandvlees tot bloedens toe kapot werd geknaagd aan het hout van de tafel

Het kind liet de borst los en draaide zich bibberend naar de warmte van het vuur. Maria keek naar haar man en zei onverwachts: “ Ik zit te denken dat we de reis naar de kerk wel kunnen maken en het kind laten dopen”. De man mompelde. Dat waren bijna 150 lange kilometers door de wildernis naar de kerk van hun kerspel en het was de donkerste periode van het hele jaar. Het kind laten dopen. Geen enkel kind uit deze berggebieden was in de kerk van het kerspel gedoopt. Dat deed men in de lappenkapel, waar de dominee twee keer per jaar kwam. Rondom de midzomer en daarna in september. Iemand die eind september geboren werd of overleed, moest negen maanden op de dominee wachten – zo was dat gegaan sinds de eerste kolonisten vuur hadden gemaakt op het strand bij Rövattnet.

“ Wij kunnen sneeuwhoenvellen meenemen om meel te kopen, dan hoef je na de jaarwisseling niet naar Noorwegen (om levensmiddelen te kopen)”.

De man keek peinzend naar het vuur maar Maria ging verder met een ijver die ze tevergeefs probeerde te verbergen. Hij zou bij Frederiksson zeker evenveel kunnen kopen als in Noorwegen. En Frederiksson had beter kruit, dat zei haar vader altijd. En een betere weg, uiteraard wel een beetje langer . Maar geen kale bergen waar een storm man en paard zou kunnen wegvagen. Over logies voor de nacht hoefden ze niet na te denken. Het was maar veertig kilometer naar Lövnäs en daar zouden ze zeker kunnen slapen bij Jonssons. In Björkliden………., ja ze zouden een kleine omweg kunnen nemen langs Björkliden zodat haar ouders het kind konden zien. Zij wisten nog niet eens dat zij een kind had gekregen, ze wisten alleen maar dat er iets op komst was. En bij de kerk woonden zowel Nicke als Anton.

De jonge kolonist liet zijn vrouw praten. Hij had kunnen tegenwerpen dat “ een kleine omweg” wel negentig kilometer betekende en dat hijzelf beter thuis was in de bergen dan in de wouden. De Noren kende hij goed maar hij wist nauwelijks iets van handel met de handelaren uit het kerspel. Eén enkele keer had hij de kerk van het kerspel gezien. Dat was toen hij als zeventienjarige met zijn vader meeging naar markt verder naar het oosten. Ze waren toen bedrogen door een pelshandelaar en sindsdien waren alle huiden vanuit de nieuwe nederzetting naar Noorwegen uitgevoerd.

Maria begon te praten over de kerkdienst op de vroege kerstmorgen. Dat was alsof je de hemel binnenging. Veel, veel licht………kerkklokken, en dan het orgel!. Eindelijk zou ze het orgel horen. Dat kon ruisen en bijna zingen, maar dan wel veel luider en mooier dan de mensen bij elkaar. En hoe luidden de klokken!! Niet zoals dat kleintje van de lappenkapel.

Als ze nu op reis zouden gaan , zouden ze de kerkdienst op de vroege kerstmorgen kunnen bezoeken. En het kind…. Zij moesten er voor zorgen dat het kind gedoopt zou worden. Het was nog lang tot aan de midzomer, en ondertussen zou er nog veel kunnen gebeuren.

De kolonist schraapte peinzend een paar gloeiende resten uit zijn pijp. Hij kon zich niet herinneren dat ooit iemand uit het gebergte een kerkdienst op de vroege kerstmorgen bezocht. Het was niet verstandig om de lange reis naar het oosten te maken rondom de midwinter. Mannen moesten zorgen voor de jacht en de handelsreizen naar Noorwegen. De vrouwen waren gebonden aan de kinderen en de dieren. En dan de duisternis…….de bijna onafgebroken duisternis die de mensen er toe dwong om niet zonder noodzaak buitenshuis te verblijven. Reizen was makkelijker rondom Pasen. Dan kom men lange reizen snel maken op glinsterende sneeuw.

Maria zocht naar antwoord op het gezicht van haar man. Zij vond het niet maar wilde toch niet opgeven.

“ Je ouders kunnen op de dieren passen, Erik. En we kunnen het paard meenemen. Hij moet naar buiten om zich te bewegen. Als wij morgen alles klaar maken, kunnen we overmorgen op reis.”

Erik stond op en zette een paar langzame stappen naar de muur waar de huiden hingen. Hij streek er met zijn handen overheen en zei tegen zij vrouw: “Best, wij kunnen wel op reis”.

Maria kon die avond moeilijk slapen. Zij zou eindelijk weer eens bij haar ouders komen. En dan ook nog de kerkdienst op de vroege kerstmorgen! Zij durfde bijna niet te geloven dat ’t waar was. Maar Erik was zo lief, iemand als hem zou je op de hele wereld niet kunnen vinden.

Maria ging tegen haar man aanliggen. Hij sliep diep na een zware dag tussen hoenderstrikken en vossenvallen. Hij zou niet hebben ingestemd met het voorstel om naar de vroege kerstdienst te gaan en het kind te laten dopen als het geen goed jaar geweest zou zijn. In een hongerwinter zou dat pure verspilling van krachten zijn geweest. Dan zou hij als een gek door bergen en bossen moeten rennen om een stuk vossenvlees of een mager eekhoorntje te kunnen toevoegen aan de veldzuring en brood, gemaakt van schors. Tijdens een dergelijke winter zou ze zich trouwens helemaal niet bij haar ouders thuis willen laten zien. Maar dit jaar!! Ze glimlachte bij de gedachte hoe verbaasd haar ouders zouden zijn wanneer ze zouden zien hoeveel eten ze meenam. Dit jaar was er geen armoede in de bergen.

De volgende morgen was de kolonist lang voor de dageraad in de bossen die omhoogklommen naar de kale en steile beijsde hellingen. Voor rustig-aan-doen was geen tijd. Hij rende snel en behendig tussen de berkenstruiken door, onderzocht de strikken en maakte ze daarna onbruikbaar. Hij kon nog ongeveer dertig sneeuwhoenders in de zak stoppen en hij droop van het zweet toen hij bij het eerste daglicht naar beneden naar de naaldbossen rende. Daar had hij acht vossenvallen.

Bij de tweede vossenval stopte de kolonist, terwijl er een dof gemompel uit zijn keel kwam. De plaats zag er bloederig en vertrapt uit. In de val zat een vossenpoot. Van de vos waren alleen nog de poot, een paar botten en haarplukken over. Bij deze bloederige plaats waren wolfssporen zichtbaar.

De man ademde zwaar en pakte zijn geweer terwijl hij met een scherpe blik tussen struiken en bomen keek. Zijn lichaam voelde eventjes slap aan want uitgerekend nu had hij geen tijd om achter wolven aan te gaan. Hij moest wachten tot hij weer terug was van de reis naar de kerk. Een schrapend geluid in de sneeuw maakte dat hij zich tegen een boomstam aandrukte, maar hij zag vrijwel direkt dat het zijn vader was .

De oude kolonist hijgde van opwinding toen hij een rondje voor zijn zoon maakte en afremde.

“Moet je niet achter wolven aan, Erik?”

“Heb ik geen tijd voor.”

“Geen tijd?”

“Nee, Maria en ik denken er over om naar de kerk te gaan om ons kind te dopen.”

De oude man keek snuivend naar zijn zoon, mompelde iets en schudde bedachtzaam zijn hoofd.

Vader en zoon kwamen rond het middaguur thuis. De oude man was stil en mopperde en dacht alle interesse in een eventueel wolvenjacht verloren te hebben. Er hing iets slechts in de lucht. Dat voelde hij. Maria en Erik moesten toch begrijpen dat ze geen lange reis konden maken met een ongedoopt kind.

Maria en Erik gingen samen een tijdje naar de hut van zijn ouders. Eriks moeder was krom en grijs geworden van de vele harde jaren in de wildernis en zat stilletjes te luisteren terwijl haar schoondochter vertelde dat ze wel graag naar de kerk van hun kerspel wilden om de kerstzang te horen en hun kind te laten dopen. Ze wiegde zacht met haar bovenlichaam en staarde tamelijk hulpeloos in de verte.

Daar Maria antwoord verwachtte, keek de oude kolonistenvrouw haar aan en knikte met het hoofd. Ja, Mattias en zij konden wel voor hun dieren zorgen, maar het kind zouden ze toch thuis moeten laten. Het was niet verstandig om de boze machten te verleiden door een ongedoopt kind op een zo lange reis met zich mee te nemen. Om over de koude nog maar te zwijgen.

Maria brieste. Koud!. Ze hadden toch rendierhuiden en schapenvachten om het kind in te wikkelen? En voedsel… Had ze geen melk in haar borst? Meer melk dan het kind zou kunnen drinken? En die boze machten… wanneer zij het kerkboek op de borst van haar kind zou binden, zouden ze niet dichtbij kunnen komen.

Erik viel zijn vrouw bij en zijn langzame en vasthoudende woorden maakten de ouders duidelijk dat zij niet zouden kunnen verhinderen dat Maria het arme kind mee zou nemen. Ze hadden kunnen weigeren om voor de dieren te zorgen, maar daar dachten ze niet aan.

De zon was bezig langzaam boven de horizon te komen. De zon was bloedrood en werd omhuld door een sluier die wisselend tussen geelgroen en violet kleurde. Het kleurenspel in die lichtsluier was erg onrustig en plotseling schitterden een paar zonnestralen op de hoogste toppen van de bergen. Maar dat duurde niet lang. De lichtbol zonk weer terug en liet een rood spoor na, dat steeds vager werd en uiteindelijk verdween.

Over een bevroren meer tussen hoge beboste heuvelruggen zwoegde Eriks paard. Het paard was klein en ruigbehaard, gewend om zware lasten door de bergen te trekken en kon ook goed de weg vinden in een vliegende sneeuwstorm. Nu trok hij een lange slee waardoor de adem als stoomkegels uit zijn neusgaten sloeg. De sneeuw gleed stroef en de slee was zwaar beladen.

Maria lag in de slee met om zich heen de geur van vos en veelvraat en met als kussen de zak met sneeuwhoenders. Ondertussen hield ze haar kind in haar armen. De voorraadkist met eten zat verstopt onder een grote bundel hooi en naast Maria lagen het jachtgeweer van haar man, een lans tegen beren en een bijl. Achter de slee kwam de kolonist op zijn lange skiën van sparrenhout.. een stille figuur die leek samen te smelten met paard, slede en wildernis.

De reis ging langzaam maar wel sneller dan voor de zonsopkomst. Het paard had (speciale) sneeuwschoenen ondergebonden gekregen zodat hij uit de voeten zou kunnen in de diepe sneeuw in de bossen tussen de meren. Op het ijs had de harde wind de sneeuw weggeveegd of op een andere plaatsen juist samengepakt tot steenharde, ijzige, onregelmatige massa. Op weer andere plaatsen was ’t opgestoven tot kleine sneeuwduinen die Erik dwongen de punten van de ski op te tillen om niet ergens tegen aan te stoten.

Maria lag aangenaam onder de huiden. Wanneer zij met haar hoofd daaronder kroop, kon de kou haar niet deren, ook al was het 40 graden onder nul.

Het kind sliep met een volle maag moedermelk . De grauwbleke schemering verdween. Sterren begonnen te tintelen en spoedig zou de koude duisternis van de lange midwinternacht zich leggen over bossen en bergen. De kolonist spoorde het paard aan. Ze hadden nog een kleine drie uren te gaan tot Lövnäs.

Aan de overzijde van het meer kwamen ze bij een weg die werd gebruikt door boeren uit het oosten om naar de markt in Noorwegen te gaan. De weg was herkenbaar doordat bosjes en omgevallen bomen waren gerooid en op sommige plaatsen neerhangende takken van een ruige den waren weggehaald. Er was geen spoor van sleden te zien, niemand had deze weg sinds eind november gebruikt. Alleen waren er voor de hoeven van het paard sporen van vossen zichtbaar.

Plotseling begon het paard te trekken, en de kolonist greep snel stevig de leidsels die aan de slede waren vastgebonden. Hij luisterde gespannen in de richting van de wildernis. Er knapte iets in een boom, maar dat was het enige geluid dat de ijskoude stilte brak.

Het paard kwam niet tot rust en plotsklaps haalde Erik diep adem. In de verte hoorde hij een langgerekt gehuil dat zich hongerig vastbeet in alle hoeken van het bos.

Ook Maria hoorde het gehuil en zij kwam onder de huiden vandaan.

“Wolven”, hijgde ze.

Erik knikte. Ja, er zaten wolven achter hen aan.

“Verschuil je weer, Maria. En kom niet naar mij toe”.

Het paard zwoegde zo hard dat de dampen als een deken om hem heen hing.

Maar de kolonist wist dat ze geen mogelijkheid hadden om aan de wolvenroedel te ontkomen. Het gehuil kwam steeds dichterbij………… hoe veel hongerige monsters stormden achter hen aan? Als het er twee of drie zouden zijn …. vier of vijf, dan zouden ze voorzichtig zijn om te dicht bij te komen. Maar als het er meer zouden zijn…..! Erik voelde iets kouds prikken achter op zijn rug, en het zweet droop van zijn voorhoofd.

Na ongeveer een half uur kreeg de kolonist de eerste gloeiende wolvenogen te zien, en direkt daarna zag hij een glimp van een half dozijn donkere lijven ongeveer vijftig meter achter de slede.

Maria had de huiden gelaten voor wat ze waren. Zij steunde op haar knieën met de bijl in de ene hand en schreeuwde en riep om de ondieren te verhinderen dichter bij te komen. Haar ogen fonkelden en tussen de schreeuwen door kwam er een donker gegrom uit haar keel.

Het paard begon te schoppen om zich te bevrijden van de strengen en van het tuig. De slee schommelde en ging heel snel, schuurde tegen een hoge steen en viel bijna om. De wolven kwamen dichterbij en Erik gooide de leidsels naar zijn vrouw en pakte het jachtgeweer. Een paar seconden later knalde een schot, en de wolven verdwenen tussen struiken en bomen.

Er was geen tijd om opnieuw te laden en Erik gooide het geweer op zijn rug en skiede hard om de slee weer in te halen. Hij hoorde het zachte geluid van de paardenbel voor zich in het donker. Hij werd door angst gegrepen. Als er iets zou gebeuren waardoor hij de slee niet zou kunnen bereiken…….. met wolventanden in zijn lichaam zou het paard neer vallen en kapot worden gescheurd. En daarna zouden de monsters zich over Maria en het kind buigen met bloederige kaken.

Het ging schuin naar beneden. Hij zette zich hard met zijn skistok af tegen de sneeuw en stuurde hijgend zijn skiën in het spoor van de slede. Erik haalde de slede in in een struikachtig deel van het bos onder aan de helling. Maar hij was niet alleen. Aan beide kanten van de weg glommen ogen van de wolven, en een paar beesten leken klaar om het paard van voren aan te vallen.

Wilde gedachten spookten door Eriks hoofd. Hij was geboren op een plaats waar men vroeger onthoofde lichamen zag rondspoken tijdens angstige reizen in donkere nachten. Nu was het zijn beurt. De dood kwam voor hem, rijdend op de ruggen van de wolven. Ze zouden eerst op het ongedoopte kind afgaan.

Maria schreeuwde nog steeds maar hield soms op om snikkend gebeden op te zeggen. Hun kind was wakker geworden en zijn iele schreeuw mengde zich met het gehuil van de honden uit de wildernis.

Het leek alsof het schreeuwen van het kind de wolven gek maakte. Ze kwamen steeds dichter bij de slee, kwijl viel in kluiten uit hun geopende kaken en Erik meende een dode te zien springen van de ene wolvenrug naar de andere. Hij hijgde zwaar. Het zou snel voorbij zijn… het paard dat zo duur was geweest……en Maria. Zwoegen zonder Maria.

Als ze het kind nu eens zouden offeren………….

Deze gedachte had geen tijd om zich bij Erik vast te zetten. Een schreeuw, gehuil… en een van de beesten viel om in de sneeuw met een geknakte rug, en de wolvenroedel stortte zich vechtend op het vlees van hun gevallen kameraad.

De harde slag van de kolonist met zijn skistok zou hun een tijdje rust opleveren. Erik streek het zweet van zijn voorhoofd en keek nog eens achterom. Maak voort…….Maria en hun kind. De wolven zouden terug kunnen komen. Hij zou hen de darmen uit het lijf slaan, ook al zouden ze met twintig tegelijk komen.

Maria ging weer naar haar kind om het te beschermen tegen de kou. Ze voelde met haar vingers dat het psalmboek nog over de borst van de kleine lag en drukte hem tegen zich aan.

Erik en Maria kwamen aan in Lövnäs zonder dat de wolven een nieuwe aanval hadden gedaan. De mensen in het dorp sliepen nog niet. Want ondanks dat het al een aantal uren donker was, was het nog niet eens avond. Het paard werd op de stal gezet, kreeg een deken over zijn zwetende rug en voer voor de nacht. Toen Erik terugkwam uit de schuur, zat Maria al bij het vuur en verzorgde het kind.

Jonssons uit Lövnäs was een veertiger en had zes kinderen. De jongste vier lagen op een brede slaapbank en waren in slaap gevallen. Een twaalfjarig meisje stond verwonderd naar Maria en het kind te kijken, en de oudste jongen was bezig met het snijden van een handvat voor een bijl, terwijl zijn vlasgele haar voor zijn ogen hing.

Maria vertelde over de wolven, en Jonsson bromde grimmig. Er waren deze winter genoeg van deze ondieren. . Het zou goed zijn om in het nieuwe jaar op jacht te gaan naar deze ellendelingen en er een paar te doden. Een paar dagen geleden hadden wolven zijn hoenderstrikken geplunderd en een haas onder zijn neus vandaan geroofd.

Jonssons vrouw maakte warm eten klaar, en tijdens het eten was er veel om over te praten.

Ze waren elkaars naaste buren maar ze hadden elkaar niet meer gezien sinds de kerkdienst in de lappenkapel in september. Er waren ook nieuwtjes van buiten hun gemeenschap. Jonsson was iets meer dan een mand geleden naar het dorp geweest. Hij vertelde dat de prijzen van huiden er heel vriendelijke bij lagen. Voor twee vossenhuiden kon je een ton koren krijgen. Hij had ook Nicke en Anton ontmoet. Zij waren gezond en maakten het goed.

Erik en Maria konden op de grond slapen. Een paar armen vol met hooi en een paar rendierhuiden vormden een geriefelijk matras en grote schapenvachten dienden als deken voor beiden. Maria sliep snel in, maar Erik lag nadenkend met open ogen te kijken naar het gekloofde hout van het dak, dat zwak werd verlicht door gloeiende stukken hout in de haard. Hij dacht er niet over na dat de reis naar de vroege kerstdienst in totaal twee weken tijd zou kosten, hij dacht niet aan de grote wolvenjacht die Jonsson en hij zouden gaan ondernemen direkt na de jaarwisseling. Hij lag zich af te vragen hoe veel licht er in de kerk zou branden op de kerstmorgen, welk geluid er uit het orgel en van de kerkklokken zou komen. Hij draaide zich om en raakte hun kind, dat tussen hem en Maria in lag, licht aan. Er verscheen een glans van verwondering op zijn gezicht. Hun kind! Er zou toch beslist iets opmerkelijks moeten groeien uit een kind dat werd gedoopt in de grote kerk op diezelfde kerstmorgen.